Beleidslijn voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaarbestuur 2021

Publicatiedatum:
donderdag 8 juli 2021
Originele publicatie downloaden:
Download het PDF bestand
Type bekendmaking:
beleidsregel



Beleidslijn voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaarbestuur 2021

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lisse, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

 

Overwegende, dat de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze Wet voortvloeiende bevoegdheden;

 

Gelet op het bepaalde in:

  • -

    de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • -

    artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    de artikelen 3, 27, 30a en 31 van de Drank- en horecawet;

  • -

    artikel 30b van de Wet op de kansspelen;

  • -

    de artikelen 30 en 33 van de Huisvestingwet;

  • -

    de artikelen 2.1 en 2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • -

    artikel 2.25 van de Algemene plaatselijke verordening (Evenementenvergunning Vechtsportgala);

  • -

    artikel 2.28 van de Algemene plaatselijke verordening (Exploitatie openbare inrichting);

  • -

    artikel 2.34 van de Algemene plaatselijke verordening (Tegengaan malafide ondernemingen);

  • -

    artikel 2.39 van de Algemene plaatselijke verordening (Exploitatie speelgelegenheid);

  • -

    artikel 3.4 van de Algemene plaatselijke verordening (Exploitatie Seksinrichting);

  • -

    artikel 7 van de Huisvestingsverordening Holland Rijnland (Woonvergunning);

  • -

    de Algemene Subsidieverordening van de gemeente Lisse.

Besluiten vast te stellen de:

 

Beleidslijn voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 2021

 

Paragraaf 1: Algemeen

Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen

  • 1.

    De definities in artikel 1.1 van de Wet zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidslijn, tenzij daarover in lid 2 anders is bepaald.

  • 2.

    In deze beleidslijn wordt verstaan onder:

    • a.

      rechtspersoon met een overheidstaak – De gemeente Lisse;

    • b.

      bestuursorgaan – De burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming bij beschikkingen van de gemeente Lisse;

    • c.

      APV – Algemeen Plaatselijke Verordening Lisse;

    • d.

      WABO – Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht;

    • e.

      wet – Wet bevordering Integriteitsbepalingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob);

    • f.

      RIEC – Regionaal Informatie- en Expertise Centrum t.b.v. de aanpak van georganiseerde criminaliteit;

    • g.

      LBB – Landelijk bureau Bibob;

    • h.

      ondermijningsbeeld – Een in opdracht van de burgmeester, door het RIEC, opgesteld beeld van lokale verschijningsvormen van georganiseerde criminaliteit in de gemeente Lisse;

    • i.

      risicocategorie – Bedrijfsactiviteiten (branches) die op basis van artikel 2:34 van de APV als risicovol worden aangewezen;

    • j.

      risicogebied – Gebied dat op basis van artikel 2:34 van de APV als risicovol wordt aangewezen;

    • k.

      risicogebouw – Gebouw dat op basis van artikel 2:34 van de APV als risicovol wordt aangewezen;

    • l.

      eigen onderzoek – De wijze van behandelen van een aanvraag waarbij met toepassing van de wet door het bestuursorgaan wordt beoordeeld of er redenen aanwezig zijn om de aanvraag te weigeren, respectievelijk de beschikking in te trekken of te beëindigen, daaraan voorschriften te verbinden dan wel een advies bij het LBB aan te vragen;

    • m.

      semi-overheid – Een algemene aanduiding voor allerlei soorten overheidsorganisaties, die “dicht tegen de overheid aan zitten”. Kenmerken van semi-overheid is dat er sprake is van:

      • a.

        wettelijke taken en/of het dienen van een uitgesproken publiek belang en

      • b.

        een (flinke) publieke financiering.

    • n.

      OM-Tip – Aanwijzingen van het Openbaar Ministerie die het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet.

Paragraaf 2: Publiekrechtelijke beschikkingen

Artikel 2.1. Toepassing beleidslijn

Onderhavige beleidslijn is uitsluitend van toepassing op de toepassing van de Wet door de rechtspersoon met een overheidstaak en het bestuursorgaan. De beleidslijn laat dus onverlet dat binnen de grenzen van de Wet op andere wijze een integriteitstoets wordt uitgevoerd en dat de uitkomsten daarvan bij verdere besluitvorming worden betrokken.

Artikel 2.2. Uitvoering Bibob-toets in afwijking van beleidslijn

Deze beleidslijn laat onverlet dat al dan niet in afwijking van de hiernavolgende bepalingen tot uitvoering van een Bibob-toets kan worden besloten indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven.

Artikel 2.3. Toepassingsbereik bij nieuwe beschikkingen

De toepassing van de Wet zal door het bestuursorgaan op de hieronder aangeduide beschikkingen op de volgende wijze plaatsvinden:

Artikel 2.3.1.

Uitvoering van de Bibob-toets vindt in beginsel plaats bij elke aanvraag voor een beschikking als bedoeld in:

  • 1.

    artikel 3 Drank- en horecawet (Drank & Horecavergunning) indien er sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm, tenzij sprake is van een slijterij of para-commerciële inrichting;

  • 2.

    artikel 30b van de Wet op de kansspelen (Speelautomatenvergunning);

  • 3.

    artikel 2:25 van de APV (Evenementenvergunning), indien er sprake is van een aanvraag voor een evenementenvergunning voor een Vechtsportgala;

  • 4.

    artikel 2.28 van de APV (Exploitatievergunning) indien er sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf, wijziging van financier of van de rechtsvorm of het wijzigen en/of bijschrijven van leidinggevende(n);

  • 5.

    artikel 2:34 van de APV (Met name genoemde risicovolle branches/gebieden/gebouwen);

  • 6.

    artikel 2:39 van de APV (Speelgelegenheid);

  • 7.

    artikel 3:4 van de APV (Seksinrichting & Escortbedrijven).

Artikel 2.3.2.1.

Het bestuursorgaan zal bij aanvragen om een beschikking een bibob-toets uitvoeren en zo nodig het LBB verzoeken om een advies over de mate van gevaar, zoals bedoeld in artikel 9 van de Wet.

Artikel 2.3.2.2.

De Bibob-toets zal niet worden toegepast, ingeval de aanvraag afkomstig is van:

  • a.

    overheidsinstanties;

  • b.

    semi overheidsinstanties;

  • c.

    woning(bouw)corporaties;

  • d.

    door het College van B&W bij (specifiek) besluit aangewezen aanvragers (b.v. PPS-constructies van particuliere ondernemingen en overheid).

Artikel 2.3.3.

Toepassingsbereik bij seksinrichting, escortbedrijf, speelautomatenbedrijf, coffeeshop.

Artikel 2.3.3.1.

Het bestuursorgaan zal een bibob-toets uitvoeren voor de aangevraagde beschikking, zoals genoemd in artikel 3:4 van de APV voor de gemeente Lisse (vergunning seksinrichtingen en escortbedrijven), artikel 30b Wet op de Kanspelen i.v.m. artikel 2:39 APV (speelautomaten), 2:28 APV (coffeeshop) indien sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf, een nieuw bestuur van een bestaand bedrijf of wijziging van financier of rechtsvorm van de onderneming, en de aanvrager de vier voorgaande jaren niet is getoetst aan de wet.

Artikel 2.3.3.2.

Het bestuursorgaan zal, naast het bepaalde in artikel 2.3.3.1, in ieder geval een bibob-toets uitvoeren op grond van:

  • a.

    eigen informatie en/of

  • b.

    informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

  • c.

    door het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet (OM-Tip) en/of

  • d.

    informatie op basis van het ondermijningsbeeld en/of

  • e.

    Indicatoren die kunnen duiden dat er een gevaar bestaat dat een vergunning zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit ter verkrijging van de vergunning.

Artikel 2.3.3.3.

Het bestuursorgaan zal bij een reeds verleende beschikking, als bedoeld in artikel 2.3.3.1. periodiek een bibob-toets uitvoeren. Deze periodieke toets wordt één keer in de vier jaar uitgevoerd.

Artikel 2.3.3.4.

Het bestuursorgaan kan bij een bibob-toets, in het kader van inrichtingen genoemd in artikel 2.3.3.1., het LBB om advies vragen over de mate van gevaar, zoals bedoeld in artikel 9 van de Wet.

Artikel 2.3.4.

Uitvoering van de Bibob-toets vindt bij onderstaande aanvragen voor een beschikking in beginsel plaats als zij vallen onder de daartoe aangewezen risicobranche en/ of het risicogebied en de daarbij geldende vastgestelde risico-indicatoren

Artikel 2.3.4.1.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning bouwactiviteit, in strijd met bestemmingsplan / beheersverordening / exploitatieplan) wordt getoetst:

  • a.

    als de aanvraag betrekking heeft op door het college van burgemeester en wethouders, aangewezen risico categorieën en/ of risicogebieden en/of gebouwen.

  • b.

    als de aanvraag betrekking heeft op de navolgende branches

    Hotels

    Escortbedrijven

    Pensions

    Seksbioscopen

    Kamerverhuurbedrijven

    Darkrooms

    Woonruimte arbeidsmigranten

    Casino’s

    Coffeeshops

    Gamecentra

    Belwinkels

    Speelautomatenhallen

    Shishalounges

    Vuurwerkbranche

    Horeca inrichtingen (art.3 DHW)

    Sloopbedrijven

    Cafeteria’s (b.v. Snackbar, Pizzeria, Shoarmazaak)

    Afvalbewerking- en verwerkingsbedrijven

    Kappers

    Demontagebedrijven

    Welnessbranches (b.v. massagesalon, nagelstudio)

    Autohandel

    Prostitutiebedrijven

     

  • c.

    bij een bouwsom hoger dan €500.000,- indien indicatoren kunnen duiden dat er een gevaar bestaat dat een vergunning zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit ter verkrijging van de vergunning.

  • d.

    als bij navraag door het bestuursorgaan bij het LBB blijkt, dat tegen de aanvrager van een beschikking, in de afgelopen twee jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het LBB.

Artikel 2.3.4.1.1.

De Bibob-toets zal niet worden toegepast, ingeval de aanvraag afkomstig is van:

  • a.

    overheidsinstanties;

  • b.

    semi overheidsinstanties;

  • c.

    woning(bouw)corporaties;

  • d.

    door het college van burgemeester en wethouders bij (specifiek) besluit aangewezen aanvragers (b.v. PPS-constructies van particuliere ondernemingen en overheid).

Artikel 2.3.4.2.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder e van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van die Wet, (omgevingsvergunning inrichtingen Wet Milieubeheer).

 

De toepassing blijft beperkt tot de inrichtingen, die behoren tot de door het bestuur, aangewezen risicobranches en/of risicogebieden en/of gebouwen en als de aanvraag betrekking heeft op de navolgende branches:

Hotels

Escortbedrijven

Pensions

Seksbioscopen

Kamerverhuurbedrijven

Darkrooms

Woonruimte arbeidsmigranten

Casino’s

Coffeeshops

Gamecentra

Belwinkels

Speelautomatenhallen

Shishalounges

Vuurwerkbranche

Horeca inrichtingen (art.3 DHW)

Sloopbedrijven

Cafeteria’s (b.v. Snackbar, Pizzeria, Shoarmazaak)

Afvalbewerking- en verwerkingsbedrijven

Kappers

Demontagebedrijven

Welnessbranches (b.v. massagesalon, nagelstudio)

Autohandel

Prostitutiebedrijven

 

 

De Bibob-toets zal bij een aanvraag alleen uitgevoerd worden:

  • a.

    vanuit eigen informatie en/of

  • b.

    vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

  • c.

    vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet (OM-Tip) en/of

  • d.

    vanuit informatie op basis van het ondermijningsbeeld en/of

  • e.

    als indicatoren kunnen duiden dat er een gevaar bestaat dat een vergunning zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit ter verkrijging van de vergunning.

  • f.

    als bij navraag door het bestuursorgaan bij het LBB blijkt, dat tegen de aanvrager van een beschikking, in de afgelopen twee jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het LBB.

De Bibob-toets zal niet worden toegepast, ingeval de aanvraag afkomstig is van:

  • a.

    overheidsinstanties;

  • b.

    semi overheidsinstanties.

Artikel 2.3.4.3.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van die wet is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet kan worden geweigerd (omgevingsvergunning beperkte milieutoets).

De Bibob-toets wordt bij een aanvraag in beginsel alleen uitgevoerd:

  • a.

    vanuit eigen informatie en/ of

  • b.

    vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/ of

  • c.

    vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet (OM-Tip) en/of

  • d.

    vanuit informatie op basis van het ondermijningsbeeld en/of

  • e.

    als indicatoren kunnen duiden dat er een gevaar bestaat dat een vergunning zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit ter verkrijging van de vergunning.

  • f.

    als bij navraag door het bestuursorgaan bij het LBB blijkt, dat tegen de aanvrager van een beschikking, in de afgelopen twee jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het LBB.

Artikel 2.3.4.4.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.25 van de APV; (evenementenvergunning). De toepassing van de Bibob-toets zal daarbij beperkt blijven tot de bij afzonderlijk besluit van de burgemeester aangewezen evenementenvergunningen (vechtsportgala).

Artikel 2.3.5.

Uitvoering van de Bibob-toets vindt bij onderstaande aanvragen voor een beschikking in beginsel plaats, als er sprake is van ambtelijke informatie en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, die een aanleiding vormen om te vermoeden dat de beschikking zal worden gebruikt als bedoeld in artikel 3 van de Wet:

  • a.

    een aanvraag als bedoeld in artikel 30a Drank- en Horecawet (Leidinggevenden);

  • b.

    een aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet, in het geval het een horecabedrijf betreft, als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en horecawet (Paracommerciële instelling);

  • c.

    een aanvraag als bedoeld in het artikel 2.12 Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht in verband met artikel 30 en 33 van de Huisvestingswet (vergunning voor onttrekking aan de woonfunctie en vergunning tot splitsing gebouw met woonfunctie).

Artikel 2.4. Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen

Het bestuursorgaan kan de Wet in beginsel toepassen met betrekking tot reeds verleende beschikkingen indien:

  • a.

    de verstrekte beschikking betrekking heeft op een locatie, die gelegen is in een concreet bepaald gebied, dat op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan na de verstrekking van de beschikking, op basis van het ondermijningsbeeld, is aangewezen als risicogebied, risicobranche of risicogebouw;

  • b.

    de verstrekte beschikking onderdeel uitmaakt van een branche of onderdeel in deze branche, die op basis van een door het bestuursorgaan genomen besluit na de verstrekking van de beschikking is aangewezen voor een generieke Bibob-toets;

  • c.

    vanuit eigen informatie dan wel vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC, er aanwijzingen zijn dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet;

  • d.

    informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet verkregen, vanuit het OM, direct of als reactie op een door haar ontvangen signaal van het LBB, die duidt op een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet;

  • e.

    bekend wordt, dat tegen betrokkene in een andere gemeente bij een Bibob-toets een ernstige mate van gevaar is geconstateerd en aan betrokkene alhier een soortgelijke beschikking is verstrekt;

  • f.

    in geval aan betrokkene in meerdere gemeenten binnen het samenwerkingsverband RIEC eerder al een soortgelijke beschikking is aangevraagd dan wel verleend, zal het bestuur in overleg met haar partners zorg dragen dat coördinatie in de Bibob-toets wordt georganiseerd.

Artikel 2.4.a

Bij een weigering om de Bibob-vragenformulieren volledig ingevuld te retourneren, zullen allereerst de daartoe gestelde regels van de Algemene Wet Bestuursrecht toegepast worden. Bij volharding zal de weigering worden beschouwd als een ernstige mate van gevaar als genoemd in artikel 4 jo 3 van de Wet Bibob. De verstrekte vergunning zal als gevolg daarvan worden ingetrokken.

Artikel 2.5. Toepassingsbereik bij subsidies

Het bestuursorgaan zal de Wet in beginsel toepassen met betrekking tot een aanvraag voor dan wel de intrekking van een reeds verleend subsidie als bedoeld in de gemeentelijke subsidieregeling. De Bibob-toets wordt daarbij in beginsel beperkt tot de gevallen, waar indicatoren kunnen duiden dat er een gevaar bestaat dat een subsidie zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit ter verkrijging van de subsidie.

Het besluit tot uitvoering van het bibobonderzoek zal gebaseerd zijn op:

  • a.

    eigen ambtelijke informatie en/of

  • b.

    informatie verkregen van het LBB en/of

  • c.

    informatie verkregen vanuit het Om conform artikel 26 van de Wit (OM-tip) en/of

  • d.

    informatie vanuit het ondermijningsbeeld en/of

  • e.

    informatie verkregen van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC.

Paragraaf 3: Privaatrechtelijke transacties

Artikel 3.1. Toepassingsbereik bij vastgoedtransacties

De rechtspersoon met een overheidstaak kan de Wet in beginsel toepassen met betrekking tot vastgoedtransacties zoals bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij de gemeente partij is. Bij de start van onderhandelingen daartoe, zal de rechtspersoon met een overheidstaak de wederpartij ervan in kennis stellen dat een bibobonderzoek deel kan uitmaken van de procedure.

 

In de overeenkomst wordt een integriteitsclausule opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst.

 

De Bibob-toets wordt in beginsel beperkt tot de gevallen, die een of meerdere van onderstaande kenmerken hebben:

  • a.

    hoge mate van financiële complexiteit;

  • b.

    behorend tot een als zodanig door college van burgemeester en wethouders, benoemd risicobranche en/of risicogebied en/of risicogebouw;

  • c.

    hoge mate van complexiteit met betrekking tot de bedrijfsstructuur; Exceptioneel financieel risico voor de gemeente.

  • d.

    waar indicatoren kunnen duiden dat er een gevaar bestaat dat een vastgoedtransactie zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit met als doel het aangaan van een vastgoedtransactie.

Het besluit tot uitvoering van het bibobonderzoek kan daarnaast ook gebaseerd zijn op:

  • a.

    eigen ambtelijke informatie en/of

  • b.

    informatie verkregen van het Bureau en/of

  • c.

    informatie verkregen vanuit het OM conform artikel 26 van de Wet (OM-tip) en/of

  • d.

    vanuit informatie op basis van het ondermijningsbeeld en/of

  • e.

    informatie verkregen van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC.

Indien de Bibob procedure niet is afgerond voor het sluiten van de overeenkomst, wordt hieromtrent een ontbindende voorwaarde opgenomen. Indien is besloten tot uitvoering van een Bibob-toets neemt de rechtspersoon met een overheidstaak geen definitief besluit tot het aangaan van een vastgoedtransactie totdat de Bibob-toets volledig is afgerond.

De Bibob-toets zal niet worden toegepast, ingeval de aanvraag afkomstig is van:

  • a.

    overheidsinstanties;

  • b.

    semi-overheidsinstanties;

  • c.

    woning(bouw)corporaties;

  • d.

    door het college van burgemeester en wethouders bij (specifiek) besluit aangewezen aanvragers.

Artikel 3.2. Toepassingsbereik bij verhuur van onroerend goed en het verlenen van een gebruiksrecht

  • a.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1. zal voorafgaand aan een vastgoedtransactie met als doel de verhuur van onroerend goed door de rechtspersoon met een overheidstaak dan wel het verlenen van een gebruiksrecht, in ieder geval aanleiding kunnen bestaan voor het uitvoeren van een Bibob-toets indien sprake is van verhuur in de, aangewezen risicocategorieën en/of risicogebieden en/of gebouwen.

  • b.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 kan de rechtspersoon met een overheidstaak in huur- en verhuurovereenkomsten met betrekking tot een onroerende zaak een beëindigingclausule opnemen als bedoeld in artikel 5a, sub b van de Wet . De rechtspersoon met een overheidstaak zal zo nodig in plaats van instemming met een contractovername, een nieuwe huurovereenkomst sluiten met een opvolgende huurder zodat bedoelde beëindigingclausule kan worden opgenomen.

Artikel 3.3. Toepassingsbereik bij aanbestedingen

De rechtspersoon met een overheidstaak zal het Bibobonderzoek ten aanzien van een gegadigde of onderaannemer in de zin van de Wet, in beginsel alleen uitvoeren bij overheidsopdrachten, die vallen binnen de sectoren milieu, informatie-communicatie-technologie (ICT) of bouw en die, conform de algemene inkoopvoorwaarden van de stichting RIJK waarbij de gemeente Lisse is aangesloten. Deze algemene voorwaarden zijn bedoeld voor het aanbesteden van werken respectievelijk van diensten en leveringen die openbaar moeten worden aanbesteed.

 

Een besluit tot uitvoering van een bibobonderzoek zal plaatsvinden:

  • a.

    op basis van eigen ambtelijke informatie en/of

  • b.

    informatie verkregen van het LBB en/of

  • c.

    informatie verkregen vanuit het OM conform artikel 26 van de Wet (OM-tip) en/of

  • d.

    informatie verkregen vanuit een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

  • e.

    vanuit informatie op basis van het ondermijningsbeeld en/of

  • f.

    waar indicatoren kunnen duiden dat er een gevaar bestaat dat een aanbesteding zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit ter verkrijging van de aanbesteding.

Paragraaf 4: Uitvoering

Artikel 4.1. Eigen onderzoek

In de in deze beleidslijn bepaalde gevallen, zal betrokkene, naast de gebruikelijke aanvraagformulieren, de Bibob-vragenformulieren dienen in te vullen en in te leveren bij het bestuursorgaan. Daarbij dienen ook de documenten te worden gevoegd, die in deze vragenformulieren zijn vermeld en/ of bij de uitreiking van de formulieren door of namens het bestuursorgaan zijn genoemd. De Bibob-vragenformulieren bevatten in elk geval de in artikel 30, tweede lid van de Wet genoemde vragen en daarnaast aanvullende vragen, die het bestuursorgaan zo goed mogelijk in staat stellen om het eigen onderzoek te kunnen verrichten.

 

In geval de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe beschikking, maken de Bibob-vragenformulieren onderdeel uit van de aanvraag hiervoor. Alvorens het eigen onderzoek naar het zich voordoen van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de Wet wordt gestart, zal een aanvraag eerst beoordeeld worden conform de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de reguliere weigeringsgronden vanuit de onderliggende regelgeving van de desbetreffende vergunning.

Het daarop aansluitende eigen onderzoek naar het zich voordoen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bestaat uit een tweetal stappen:

Stap 1

Het onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:

  • a.

    de door de aanvrager/ houder van de vergunning aangereikte informatie/ documenten bij de Bibob-vragenformulier(en) (inclusief bijlagen) en de door hem/haar daarbij aangeleverde documenten;

  • b.

    eventuele extra, op verzoek van het bevoegd gezag, door aanvrager/houder overlegde documenten of informatie;

  • c.

    open, halfopen en gesloten bronnen, voor zover de kaders van de privacywetgeving die mogelijkheid bieden.

De wet Bibob is een ultimum remedium. Dat betekent dat de Bibob-gronden een aanvulling vormen op de reeds bestaande mogelijkheden om een vergunning te weigeren of in te trekken. Het bevoegd gezag zal echter altijd eerst de bestaande weigerings- en intrekkingsgronden onderzoeken en, zo mogelijk, toepassen.

 

Wanneer het Bibob-vragenformulier niet volledig wordt ingevuld, kan de aanvraag op grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling worden gesteld. Een weigering om gevraagde extra informatie aan te leveren dan wel onvolledig aan te leveren leidt tot het buiten behandeling stellen van de nieuwe aanvraag dan wel de mogelijkheid tot het intrekken van de reeds verstrekte vergunning.

 

Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de informatiepositie van bestuursorganen versterkt worden vanuit het RIEC. Ook kan de gemeente desgewenst gebruik maken van de expertise van het RIEC.

 

Als het bestuursorgaan op basis van het eigen onderzoek in het kader van de Wet genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake is van een ‘ernstig gevaar’ als bedoeld in de Wet, kan het de vergunning weigeren of intrekken.

 

Bij een ‘mindere mate van gevaar’ dat de (aangevraagde) vergunning wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten en witwaspraktijken kan het bevoegd gezag extra voorwaarden aan de vergunning verbinden. Deze voorwaarden dienen Bibob-gerelateerd te zijn en tot doel hebben het vastgestelde gevaar weg te nemen.

Stap 2

Aanvullend op de controle en analyse van de (extra) verstrekte informatie als hiervoor genoemd, kan een advies bij het LBB worden gevraagd indien:

  • a.

    na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of daarmee in verband te brengen betrokkenen, de financier van de betreffende activiteiten en/of onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd,

  • b.

    na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur van aan de uitvoering van de beschikking te verbinden onderneming(en),

  • c.

    na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking te verbinden activiteiten,

  • d.

    de officier van justitie de gemeente de tip geeft om in een bepaalde zaak een Bibob-advies aan te vragen.

Een toetsing aan de Wet met behulp van een advies van het LBB geldt in beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Bij deze zware inbreuk op de privacy moet het bevoegd gezag de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen.

 

Deze eisen brengen mee dat het bevoegd gezag eerst, zoals hierboven is uitgewerkt, gebruik moet maken van de eigen instrumenten. Voorts moet het vragen van een advies evenredig zijn gelet op de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten.

 

De adviesaanvraag bij het LBB is geen beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertegen staat derhalve geen bezwaar of beroep open. Wel is de aanvrager van een vergunning te allen tijde toegestaan de aanvraag in te trekken.

Artikel 4.2. Informatieplicht

  • a.

    Het bestuursorgaan informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het LBB. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 15 van de Wet . Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het LBB.

  • b.

    In geval een van het LBB ontvangen advies leidt tot het voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder verleende beschikking in te trekken, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport ter hand gesteld. Betrokkene wordt daarbij door het bestuursorgaan gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28 van de Wet.

Artikel 4.3. Adviestermijn

  • a.

    Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt bij het LBB, wordt op grond van artikel 31 van de Wet, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het LBB in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15 lid 1 van de Wet.

  • b.

    Indien het LBB het advies niet binnen de in lid 1 gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om op grond van artikel 15, derde lid van de Wet, de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de termijn, genoemd in artikel 15 lid 3 van de Wet.

  • c.

    Het Bestuursorgaan informeert betrokkene onverwijld over een verlenging als bedoeld in het vorige lid.

  • d.

    De verlenging van de adviestermijn van het LBB, alsmede eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het LBB in gevallen als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de Wet, leiden tot een verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de beschikking.

Artikel 4.4. Beschikking

  • a.

    Het bestuursorgaan/ de rechtspersoon met een overheidstaak gaat over tot een negatief besluit op de aanvraag op de beschikking dan wel inschrijving op een overheidsopdracht of het aangaan van een vastgoedtransactie, indien uit het eigen onderzoek en een eventueel daarop afgegeven advies van het LBB blijkt, dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet. Daarbij zal in geval van een inschrijving op een overheidsopdracht, de geconstateerde ernstige mate van gevaar dienen als versterking van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2013.

  • b.

    Het bestuursorgaan zal besluiten om een beschikking onder extra voorwaarden te verlenen of extra voorwaarden verbinden aan een transactie of overheidsopdracht, in het geval uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het LBB blijkt, dat er sprake is van een mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet.

  • c.

    Indien het bestuursorgaan/ de rechtspersoon met een overheidstaak voornemens is negatief te beschikken op de aanvraag op de beschikking dan wel inschrijving op een overheidsopdracht op grond van de Wet, of het aangaan van een vastgoedtransactie wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld daartegen zienswijze in te brengen.

  • d.

    Een door het bestuursorgaan op grond van de Wet genomen negatief besluit op de aanvraag voor een beschikking, is vatbaar voor beroep en bezwaar.

  • e.

    Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak, die een advies van het LBB als bedoeld in de Wet ontvangt, kan dit advies gedurende twee jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.

Paragraaf 5: Invoering

Artikel 5.1. Citeertitel

Deze beleidslijn kan worden aangehaald als beleidslijn ‘Bibob 2021 Lisse’.

Artikel 5.2. Intrekking oude beleidslijn

Met het vaststellen van deze beleidslijn wordt tevens vastgesteld dat de Bibob-beleidslijn Lisse van 7 april 2015 wordt ingetrokken.

Artikel 5.3. Invoeringsdatum

Deze beleidslijn is vastgesteld door de burgemeester respectievelijk het college van burgemeester en wethouders op 9 februari 2021 en treedt in werking op 1 maart 2021.

 

9 februari 2021

Burgemeester en wethouders van Lisse

L. Spruit

Burgemeester

E. Prins

Secretaris

Burgemeester van Lisse

L. Spruit

Ga naar het begin